© AFP or licensors

Syrië moet onwettig doden Alawitische burgers onderzoeken als oorlogsmisdrijven

De Syrische regering moet ervoor zorgen dat de daders van het op grote schaal onwettig doden van Alawitische burgers ter verantwoording worden geroepen. Niemand, geen enkele persoon of groep, mag worden aangevallen vanwege hun geloof. Amnesty International roept op tot onmiddellijke stappen om hiervoor te zorgen.

  • Aan de regering gelieerde milities doodden opzettelijk burgers van de Alawitische minderheid.
  • Syrische regering moet zorgen voor onafhankelijk, effectief onderzoek naar deze doden en andere oorlogsmisdrijven,
    en de daders ter verantwoording roepen.
  • Waarheid, gerechtigheid en genoegdoening zijn cruciaal om de cycli van wreedheden te beëindigen.
Aan de Syrische regering gelieerde milities doodden op 8 en 9 maart 2025 meer dan honderd mensen in de kuststad Banias. Dat blijkt uit informatie die Amnesty International heeft ontvangen. De organisatie onderzocht 32 gevallen waarin mensen werden gedood. De mensenrechtenorganisatie concludeert dat ze opzettelijk en onwettig waren, en gericht tegen de Alawitische religieuze minderheid.

Alawieten doelwit 

Gewapende mannen vroegen mensen of ze Alawiet waren voordat ze hen bedreigden of doodden. In sommige gevallen leken ze hen de schuld te geven van schendingen door de vorige regering, vertelden getuigen aan Amnesty International. Families van slachtoffers werden door de autoriteiten gedwongen om hun dierbaren te begraven in massagraven zonder religieuze rituelen of een openbare ceremonie.
“De daders van deze afschuwelijke golf van brute massamoorden moeten ter verantwoording worden geroepen”, zegt Agnès Callamard, secretaris-generaal van Amnesty International. “Ons bewijs toont aan dat aan de regering gelieerde milities opzettelijk burgers van de Alawitische minderheid tot doelwit maakten van gruwelijke vergeldingsaanvallen. Hierbij zijn mensen van dichtbij in koelen bloede neergeschoten. Twee dagen lang grepen de autoriteiten niet in om het doden te stoppen. Opnieuw moeten Syrische burgers de hoogste tol betalen omdat de strijdende partijen de rekening proberen te vereffenen.”
Het opzettelijk doden van burgers of van gewonde, gecapituleerde of gevangen strijders is een oorlogsmisdrijf. Staten hebben de plicht om te zorgen voor snel, onafhankelijk, effectief en onpartijdig onderzoek naar beschuldigingen van onwettig doden en om daders van misdrijven onder het internationaal recht ter verantwoording te roepen.

Straffeloosheid

Syriërs moeten al meer dan tien jaar toekijken hoe niemand gestraft wordt voor de ernstige mensenrechtenschendingen en massale wreedheden van de regering van Assad en gewapende groeperingen.
“De meest recente bloedbaden onder de Alawitische minderheid veroorzaken nieuwe littekens in een land dat al gebukt gaat onder te veel leed. Het is cruciaal dat de nieuwe autoriteiten waarheid en gerechtigheid brengen voor de slachtoffers van deze misdrijven. Daarmee zouden zij het signaal geven dat ze met het verleden breken en aanvallen op minderheden niet tolereren. Zonder gerechtigheid dreigt Syrië terug te vallen in een cyclus van verdere wreedheden en bloedvergieten.”.
Op 6 maart 2025 lanceerden aan ex-president Bashar al-Assad gelieerde gewapende groeperingenmeerdere gecoördineerde aanvallen op veiligheids- en legerlocaties in de kustprovincies Latakia en Tartous. Het ministerie van Defensie en het ministerie van Binnenlandse Zaken reageerden samen met ondersteunende milities met een tegenoffensief. Dit leidde tot een aanzienlijke escalatie van het geweld. Op 8 maart kondigden de autoriteiten aan dat ze de controle over alle getroffen gebieden hadden heroverd.
In de dagen daarna doodden milities van de huidige regering opzettelijk Alawitische burgers in steden langs de kust, waaronder Banias. In die stad werd in 2013 een bloedbad aangericht door de regering-Assad.

Onderzoekscommissie

Op 9 maart beloofde president Ahmed al-Sharaa de daders van de misdrijven ter verantwoording te roepen. Hij stelde een onderzoekscommissie in om de gebeurtenissen aan de kust te onderzoeken en formeerde een hogere commissie om de vrede onder de burgerbevolking te handhaven. De onderzoekscommissie lijkt een positieve stap om vast te stellen wat er is gebeurd en de vermoedelijke daders te identificeren. Maar de autoriteiten moeten ervoor zorgen dat de commissie het mandaat, het gezag, de expertise en de middelen heeft om deze moorden effectief te onderzoeken.
Dit betekent onder andere dat getuigen en families van slachtoffers toegang moeten hebben tot begraafplaatsen en beschermd moeten kunnen worden. En dat de commissie over de benodigde forensische expertise beschikken. De commissie moet ook voldoende tijd hebben om haar onderzoek af te ronden.

Getuigenissen

Amnesty International interviewde zestien mensen. Vijf van hen wonen in de stad Banias, zeven in andere gebieden aan de kust, twee in andere delen van Syrië en twee buiten Syrië.
Amnesty’s Crisis Evidence Lab verifieerde negen video’s en foto’s die tussen 7 en 21 maart 2025 met onderzoekers werden gedeeld of op sociale media werden geplaatst. Daarnaast analyseerde het lab wapens en satellietbeelden.
Negen van de geïnterviewden, onder wie de vijf inwoners van Banias, meldden dat aan de regering gelieerde milities op 8 en 9 maart 2025 opzettelijk 32 van hun familieleden en buren doodden in de stad Banias. Van de 32 doden waren er 24 man, zes vrouw en twee kind. Dertig van hen gedood in de wijk al-Qusour. Amnesty International interviewde ook een medisch medewerker in de stad Banias.
Geïnterviewden identificeerden hun naaste familieleden en buren en beschreven aan Amnesty International hoe ze werden gedood. Ook ontving Amnesty de namen van zestien burgers die volgens familieleden opzettelijk werden gedood op het platteland van Latakia en Tartous.

Gedood vanwege geloof

Nadat Hay’at Tahrir al-Sham (HTS) en gelieerde gewapende oppositiegroepen eind januari 2025 Damascus hadden veroverd, kondigde de interim-regering aan dat alle gewapende facties zouden worden ontbonden en geïntegreerd in de strijdkrachten van de regering. Dat proces is naar verluidt nog gaande.
De VN documenteerden de gegevens van 111 gedode burgers in de provincies Tartous, Latakia en Hama. De organisatie denkt echter dat het werkelijke aantal gedode mensen aan de kust nog veel hoger ligt.
Volgens het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten ging het in veel van de gedocumenteerde gevallen om “standrechtelijke executies op basis van geloof, die volgens berichten werden uitgevoerd door niet-geïdentificeerde gewapende individuen, leden van gewapende groeperingen die de veiligheidstroepen van de overgangsregering zouden steunen, en door mensen die banden hebben met de voormalige regering.”
Het Syrian Network for Human Rights (SNHR) documenteerde het onwettig doden van 420 burgers en ontwapende strijders (zij die buiten gevecht zijn), onder wie 39 kinderen. Meestal werden zij gedood door milities die gelieerd zijn aan de autoriteiten.
Callamard: “De regering moet niet alleen onafhankelijke, effectieve onderzoeken en het ter verantwoording roepen van de daders van deze afschuwelijke dodingen garanderen. Zij heeft ook verplichtingen om een mensenrechtenonderzoek uit te voeren. Als er ontvankelijk bewijs is dat een persoon ernstige mensenrechtenschendingen heeft begaan, mag die persoon niet in een positie blijven of worden geplaatst waarin hij dergelijke schendingen zou kunnen herhalen.”

Onwettig doden van burgers in de wijk al-Qusour, Banias

Vier bewoners van de wijk al-Qusour beschreven hoe ze op 7 maart 2025 zwaar geweervuur hoorden. De volgende dag trokken tientallen militiemannen van de huidige regering de wijk binnen. Toen begon het doden. Dat ging door op 8 en 9 maart.
Samira* vertelde Amnesty International dat een groep gewapende mannen op 9 maart rond 10 uur ’s ochtends haar huis binnenviel en haar man doodde door hem in het hoofd te schieten. Een van de mannen vroeg haar en haar man of ze Alawieten waren en gaf vervolgens de Alawitische gemeenschap de schuld van de dood van zijn broer. Ze zei: “Ik smeekte hen om [mijn man] niet mee te nemen. Ik legde uit dat we niets te maken hadden met doden die in het verleden waren gevallen of met de dood van zijn broer.”
Ze zei dat de mannen haar man meenamen naar het dak en hem vertelden dat ze hem zouden laten zien hoe Alawieten soennieten hadden gedood. “Nadat ze vertrokken waren, zei ze: “Ik ging naar het dak en zag zijn lichaam. Ik moest vluchten voor mijn leven en smeekte mijn buurman om het lichaam te beschermen.”
Amnesty International bekeek zes beelden waarop zijn lichaam te zien is, dat een waarneembare hoofdwond had, liggend in een plas bloed.
Naast haar man werden volgens Samira ook de man van haar buurvrouw, die eind 70 was, en haar zwager gedood.
Op 8 maart kreeg Ahmad* rond 11 uur ’s morgens een telefoontje van een familielid. Die vertelde dat gewapende mannen zijn huis waren binnengevallen en zijn vader, die eind 60 was, hadden doodgeschoten. Hij zei: “Mijn moeder vertelde me dat vier gewapende mannen vroeg in de ochtend ons huis binnenvielen. Hun eerste vraag was of [mijn familieleden] Alawieten waren.”
De mannen begonnen Ahmads broer te slaan en zijn vader probeerde hen tegen te houden. “[Mijn vader] kreeg het bevel zich om te draaien… Toen hij dat deed, schoot een gewapende man hem in de rug, waarbij de kogel uit zijn borst kwam… 20 minuten later kwamen ze terug en namen het lichaam mee.” Amnesty International bekeek een video waarop bloed verspreid over de vloer te zien is, die volgens Ahmad van zijn vader was.

Zoeken naar het lichaam van een geliefde 

Een ander familielid van Ahmad moest in een nabijgelegen ziekenhuis, in aanwezigheid van gewapende mannen, meerdere keren dodelijke lichamen doorzoeken voordat ze het lichaam van zijn vader vonden. Een medisch medewerker bevestigde aan Amnesty International dat het ziekenhuis in Banias tientallen lichamen ontving van milities, SARC en burgerbeschermingsteams. Deze werden in het ziekenhuis bewaard, de meeste buiten de koelkast van het mortuarium, in stapels. Families moesten de lichamen doorzoeken om hun geliefden te vinden.
Saed* bracht een weekend door bij zijn ouders in de buurt. Op de ochtend van 8 maart hoorde de familie geweerschoten en daarna stilte. Ze dachten dat hun leven gespaard bleef, tot de volgende dag. Rond 10 uur ’s ochtends kwam een groep gewapende mannen het gebouw binnen. Ze hoorden geweerschoten. Saed vluchtte het dak op.
Saed:“Toen hoorde ik de gewapende mannen aan mijn broer vragen of hij Alawiet of Soenniet is.” Daarna hoorde hij geweerschoten.
Een paar minuten later vond Saed de doodgeschoten lichamen van zijn 75-jarige vader en zijn broers van 31 en 48 bij de ingang van het gebouw. Amnesty International bekeek beelden waarop drie lichamen te zien zijn die buiten liggen bij wat een woongebouw lijkt.
Getuigen vertelden Amnesty International dat veel van de mannen die mensen doodden Syriërs waren, maar dat er ook enkele buitenlanders bij waren.
Volgens de bewoners grepen de autoriteiten niet in om een einde te maken aan het doden en gaven ze de bewoners geen veilige routes om de gewapende mannen te ontvluchten. Twee bewoners vertelden Amnesty International dat ze minstens 15 kilometer door de bossen moesten lopen om veiligheid te zoeken. Drie anderen zeiden dat ze alleen konden vluchten toen ze uiteindelijk een lift kregen van de HTS, een voormalige gewapende groepering die is opgegaan in het regeringsleger.

“Ik zag honderden lijken”

Zeven geïnterviewden vertelden Amnesty International dat zij of hun familieleden geen toestemming kregen van de autoriteiten om familieleden die waren gedood in de wijk al-Qusour te begraven volgens religieuze riten, op een locatie van hun keuze of via een openbare ceremonie. In plaats daarvan werden de lichamen opgestapeld op een leeg terrein naast de Sheikh Hilal-begraafplaats in de buurt van de wijk.
Saed* zei dat veiligheidstroepen een leeg stuk grond naast de begraafplaats hadden uitgegraven en de lichamen op een rij hadden gelegd. Hij mocht geen foto’s maken of andere familieleden uitnodigen voor de begrafenis. “Ik zag honderden lijken,” zei hij. “Ik was alleen bij het begraven van mijn broers [op 10 maart]. Lijken liggen naast elkaar en boven elkaar en toen bedekte de vrachtwagen het graf met aarde.”
Het Evidence Lab van Amnesty International controleerde vier foto’s van de begraafplaats in de wijk al-Qusour. Daarop is te zien dat graven op een onofficiële manier zijn aangegeven. Satellietbeelden bevestigen dat de grond in het gebied tussen 8 en 10 maart 2025 werd omgewoeld.
Volgens het internationaal humanitair recht moeten de doden, indien mogelijk, begraven worden volgens de riten van de religie waartoe ze behoorden en, in principe, in individuele graven.
*Echte naam om veiligheidsredenen achtergehouden

Meer over dit onderwerp