Silda heeft zichzelf gered

Al in haar tienerjaren werd de Albanese Silda slachtoffer van mensenhandel. Toen journalist Ruth Hopkins haar in 2002 ontmoette, was ze ontsnapt en keerde ze terug naar Albanië. Al die jaren dacht Hopkins dat Silda daar opnieuw ‘verhandeld’ was. Maar zo is het niet gegaan. 

Foto’s uit het boek Ik laat je nooit meer gaan (2005). Op deze foto is Silda bij haar ouders in Albanië, 2004. Silda bij haar ouders, 2004.
© Caro Bonink

Bulqizë, Albanië – Silda glijdt af en toe uit in de sneeuw op een bergweggetje in Noord-Albanië. Het uitzicht is adembenemend; de sneeuw straalt in het zonlicht, bergkammen zien eruit als rustende olifanten, er hangt een mistige bruidssluier boven de vallei. De 42-jarige Silda zet haar voeten strategisch neer. Ik probeer haar voetstappen te volgen om niet te vallen. We stoppen af en toe om op adem te komen.

Silda wijst naar een besneeuwde boom. ‘Papa viel uit die boom.’ Ze vertelt me over haar vader, die een jaar geleden dronken in de boom klom om een tak af te zagen. Hij viel en brak zijn benen en rug. Hij werd met spoed naar een ziekenhuis in Tirana vervoerd, waar hij overleed aan een hartaanval. Silda betaalt nog steeds de lening af voor zijn begrafenis.   

Ik ontmoette Silda’s vader in 2003, toen ik het huis van haar familie in de bergen bezocht. Toentertijd onderzocht ik vrouwenhandel in en naar Nederland, voor mijn boek Ik laat je nooit meer gaan (De Geus, 2005). Een hulpverleningsorganisatie voor slachtoffers van vrouwenhandel in Utrecht bracht me toen in contact met Silda. 

De Wallen, Monnikendwarsstraat, Amsterdam, 2005.
© Caro Bonink
De Wallen, Monnikendwarsstraat, Amsterdam, 2005.

‘Humanitaire terugkeer’

Als tiener werd Silda in Albanië ontvoerd door een groep mannen. In 1998, op 16-jarige leeftijd, werd ze in Florence gedwongen als sekswerker aan de slag te gaan. De mannen mishandelden haar als ze weigerde te werken. De bende verhuisde de ‘business’ naar Frankrijk, daarna België en uiteindelijk Nederland. Hier kreeg Silda een vriend met wie ze een kind kreeg. Hoewel hij haar hielp te ontsnappen, bleek hij zelf niet veel beter: ook hij mishandelde haar.  

Ik vroeg Silda een paar keer wat ze wilde met haar leven. ‘Ik wil vrij zijn’, antwoordde ze 

Het lukte haar om te ontkomen aan de gewelddadige vader van haar kind en in 2002 klopte ze aan bij de Nederlandse politie. Die hoorde haar uit over de Albanese criminelen. Ze gaf de politie namen, adressen en informatie over de ‘goederen’ van de bende. Hoewel een aantal van de verdachten werd gearresteerd, kreeg Silda geen tijdelijke verblijfsvergunning. Die had ze als getuige in een strafrechtelijk proces wel moeten krijgen. Maar ze moest terug. Via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), die de ‘humanitaire terugkeer’ van migranten faciliteert, keerde Silda terug naar haar geboorteland. In 2003 reisde ik haar achterna en we zagen elkaar weer in Tirana.  

Toentertijd verwachtte ik Silda in een betere toestand aan te treffen. Het IOM had haar immers werk en een eigen plek, in een veilige en ondersteunende omgeving, aangeboden. Maar de schellen vielen me van de ogen.  

De wens om vrij te zijn

Silda woonde in Tirana samen met twee andere teruggekeerde slachtoffers van vrouwenhandel. Het IOM legde haar een avondklok op, verbood haar gasten – zelfs familieleden – te ontvangen, en regelde werk voor haar in een bakkerij waar ze honderd euro per maand verdiende. Tijdens mijn bezoek verliet Silda het IOM-programma en ging ze aan het werk als serveerster in een barretje. Toen ik langsging kwam ik er vrij snel achter dat het barretje eigenlijk een bordeel was.  

Silda terug in Albanië, waar zij met twee andere slachtoffers van vrouwenhandel samenwoont, 2004.
© Caro Bonink
Silda terug in Albanië, waar zij met twee andere slachtoffers van vrouwenhandel samenwoont, 2004.
De Wallen, Oudekerksplein, Amsterdam 2005.
© Caro Bonink
De Wallen, Oudekerksplein, Amsterdam 2005.

De hulpverlening voor teruggekeerde slachtoffers van vrouwenhandel in Albanië bleek ineffectief. Ik vroeg het IOM toen naar cijfers over de teruggekeerde slachtoffers. Van de 62 teruggekeerde vrouwen die het IOM in 2003 in Albanië aan werk hielp, waren er maar drie of vier vrouwen die de baan behielden; de rest ‘verdween’. Ik vroeg aan de IOM-medewerkers of dit wellicht kwam door het schamele maandloon dat de vrouwen verdienden. ‘Als vrouwen ervoor kiezen om weer in de prostitutie te werken, kunnen wij ze niet tegenhouden’, stelde Hera Shanaj, toenmalig coördinator van het  mensenhandelprogramma van het IOM. 

Vrij zijn

In 2003 vroeg ik Silda een paar keer wat ze wilde met haar leven. Elke keer antwoordde ze: ‘Ik wil vrij zijn.’ Het IOM, vertelde ze me, gaf haar een gevangenis waar ze uit wilde ontsnappen.  

In september 2003 namen Silda en ik afscheid in Tirana. Ik zou terugkeren naar Nederland en zij stond op het punt te vertrekken naar Griekenland om daar met een Albanese man te trouwen. Gekleed in een chique beige broek, zilverkleurige blouse en met een zonnebril op haar hoofd stapte ze in de auto met de man. Het was de laatste keer dat ik haar zou zien in meer dan twintig jaar.   

Schrijf je in voor de nieuwsbrief van Wordt Vervolgd:

Twee decennia lang dacht ik dat Silda een IOM-statistiek was geworden: een teruggekeerd slachtoffer van vrouwenhandel dat opnieuw was verhandeld. Ik dacht dat ze wellicht overleden was of aan lager wal beland. Maar in 2023 kreeg ik een berichtje via Facebook. Silda had me gevonden. Ze woonde nog in Albanië en ze nodigde me uit om langs te komen. 

Boerenkool in de sneeuw

In 2003 duurde de autorit van Tirana naar haar dorpje drie uur over wegen vol kuilen. De omgeving was zo onherbergzaam dat het daarna nog een uur lopen was over slingerende bergpaadjes. Maar in 2025 is het land compleet veranderd. Albanië is een toeristische trekpleister geworden, ’s zomers overstromen miljoenen toeristen het land en de wegen en wandelpaden zijn verbeterd. Daardoor kost het in 2025 nog maar anderhalf uur om bij het dorpje te komen en duurt de wandeling naar Silda’s huis nu een halfuur. Die vooruitgang zie ik ook als we aankomen bij Silda’s huis. Meer dan twintig jaar geleden woonden Silda’s zeven familieleden in een donker huisje met ingevallen dak en twee kamers. In 2025 heeft het huisje drie kamers. Het dak is gerepareerd en er is verlichting.  

Silda geeft me een rondleiding, langs de groentetuin die ze heeft aangelegd. De kop van een boerenkool steekt uit boven een dikke laag sneeuw. In een schuur liggen een hond en een paard op het hooi. ‘Het paard gebruik ik om brandhout te verzamelen’, vertelt ze. Silda woont hier met haar moeder. Samen komen ze rond van driehonderd euro per maand.  

Silda in een opvanghuis in Eindhoven, 2003.
© Caro Bonink
Silda in een opvanghuis in Eindhoven, 2003.
De Wallen, Oudezijds Achterburgwal, Amsterdam, 2005.
© Caro Bonink
De Wallen, Oudezijds Achterburgwal, Amsterdam, 2005.


In de woonkamer, met een kopje thee, vertelt Silda me wat er in 2003 gebeurde nadat ze afscheid van me nam en in de auto stapte met de man. ‘Hij zei dat hij met me wilde trouwen maar ik voelde aan dat dat een leugen was.’ Bij de grens bleek dat de man een vals paspoort voor haar had geregeld. ‘Op dat moment dacht ik aan mijn zoon. Hij was 1 jaar oud en woonde bij mijn ouders. Ik realiseerde me dat hij me nodig had, dus ik besloot terug te keren.’ Silda nam de bus terug naar huis. Ze spreekt, net als 22 jaar geleden, met zachte stem. Haar gezicht is wat meer verweerd, maar ze ziet er nog hetzelfde uit: een slanke kleine vrouw met halflang bruin haar en bruine ogen. Ze glimlacht. ‘Sinds dat besluit woon ik bij mijn familie. Ik heb mijn zoon grootgebracht en het gaat goed met hem. Daardoor gaat het ook goed met mij.’ 

Het gaat goed 

Haar zoon woont nu in Florence, de Italiaanse stad waar de Albanese criminelen een minderjarige Silda meer dan 25 jaar geleden aan het werk zetten. Hoewel hij geen papieren heeft, werkt hij wel als vrachtwagenchauffeur. Hij heeft een vriendin en, om een verblijfsvergunning te regelen, heeft hij een advocaat in de arm genomen. Elke maand stuurt hij zijn moeder wat geld. 

Ik ben blij voor Silda. Het gaat veel beter met haar dan ik had verwacht. Maar dat komt niet door haar aangifte bij de Nederlandse politie 2002, ook niet doordat ze in Nederland in de hulpverlening terechtkwam en ook niet doordat het IOM haar hielp terugkeren en re-integreren in Albanië. Sterker nog: de politie behandelde haar vooral als illegale migrant, de Nederlandse hulpverlening stond machteloos omdat Silda geen verblijfsvergunning kreeg, en in Albanië zorgde het terugkeerprogramma van het IOM ervoor dat ze opnieuw koos voor sekswerk. Het gaat goed met Silda omdat ze zichzelf heeft gered.

Steun onze onafhankelijke journalistiek

Onze onafhankelijke journalistiek wordt gefinancierd door mensen zoals u. Wilt u ons helpen onze verhalen over mensenrechten toegankelijk te maken voor iedereen? Steun ons dan nu met een eenmalige donatie.

Ja ik steun

Meer over dit onderwerp